"De stap naar betaald werk is voor velen te groot"

Ton Wilthagen is hoogleraar institutionele juridische aspecten van de arbeidsmarkt aan Tilburg University. Van huis uit socioloog, maar met interesse in veel vakgebieden, waaronder recht en economie. Hij is tevens directeur van ReflecT, een onderzoekscentrum voor een dynamische arbeidsmarkt en sociale cohesie. De ideeën die hier uit voort komen zet hij om in praktische instrumenten zoals de Startersbeurs, die inmiddels in 150 gemeenten is ingevoerd. Deze voorvechter van een inclusieve arbeidsmarkt blijkt sceptisch over de Participatiewet.

Wet zonder grondslag

“We willen een participatiesamenleving creëren in één van de diepste crisissen ooit. Onderdeel van die samenleving is een toegankelijke arbeidsmarkt waarin iedereen met zijn of haar kwaliteiten een bijdrage levert. Helaas ligt er geen beleidstheorie ten grondslag aan de participatiewetgeving. Het is een vrome politieke wens die vooral financieel gedreven is. Lovenswaardig, maar de instrumenten die effect moeten creëren, kennen we al jaren en hebben nog niet geleid tot meer inclusiviteit. De staatssecretaris zegt dat de inclusieve arbeidsmarkt moet, kan en gaat gebeuren. Als dat niet lukt, heb je echt iets uit te leggen aan de mensen die je belooft dat ook zij hun kwaliteiten kunnen inzetten.

Te hoog gegrepen

We praten over de opbouw van de arbeidsmarkt: een kern van betaald vast werk, dan deeltijdwerk, een flexibele schil met zzp’ers, nul-urencontracten en uitzendwerk en daaromheen nog vrijwilligerswerk, sociale werkplaatsen en een groep die helemaal niet werkt. Betaald werk heeft voor Wilthagen niet het alleenrecht op maatschappelijk nut. “Het werk in sociale werkplaatsen en vrijwilligerswerk hebben ook toegevoegde waarde. Door participatie te labelen als economische zelfstandigheid ontstaan grote groepen die niet actief zijn, want de kern van de arbeidsmarkt is niet toegankelijk. Als je die andere nuttige activiteiten meetelt, nemen de mogelijkheden om deel te nemen wel toe. Dan krijg je alleen weer de discussie over de Melkertbanen en de sociale werkplaatsen. Die zouden dan niet op slot moeten.” De ambitie ligt echter hoger in Nederland, met onze high performance arbeidsmarkt. De productiviteit is enorm hoog in relatief weinig gewerkte uren. “Nu verwachten we van een grote groep die van oudsher in een passief domein is geplaatst, dat ze willen en kunnen deelnemen aan deze arbeidsmarkt. Het is een illusie om te denken dat dat zomaar gaat lukken. De voorhanden oplossingen helpen wel wat, maar onvoldoende.”

Bestaande instrumenten

Om binnen de bestaande arbeidsmarkt werk te creëren, wordt onder meer gebruik gemaakt van jobcarving: specifieke taken van functies omvormen tot een nieuwe functie. Een tweede instrument is social return. Bij aanbestedingen vraagt de overheid bedrijven dan een bijdrage te leveren aan arbeid voor mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. “Ook zie je dat steeds meer wordt gekeken naar mogelijkheden van reshoring. Dat is het terughalen of creëren van werkzaamheden die normaal in lagelonenlanden plaatsvinden. Dit concurreert niet met bestaande banen, betreft vaak eenvoudiger werk en kan dus makkelijker worden ingezet voor mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. Daarmee wordt de koek groter op de arbeidsmarkt en dat is positief. De vraag is of de werkgelegenheid zo voldoende zal groeien.”

Kansen vergroten

Om de arbeidsmarkt écht toegankelijker te maken, moet op veel vlakken wat gebeuren. Ten eerste zal het uitkeringssysteem flexibeler moeten worden, legt Wilthagen uit: “Nu heb je wél of geen uitkering. Gemeenten zoals Rotterdam ijveren voor een flexibeler systeem. Er zijn bijvoorbeeld genoeg Wajongeren die wel een deel van hun uitkering compenseren met werk. Die zijn weliswaar niet zelfredzaam, maar de schadelast wordt wel gereduceerd. Zonder zo’n maatregel zouden zij een volledige uitkering krijgen.” Daarnaast moeten we volgens Wilthagen meer kijken naar de capaciteiten en motivatie van de werkzoekenden. Wanneer iemand een uitkering heeft, kan hij niet aan zijn ontwikkeling werken, omdat hij beschikbaar moet blijven voor de arbeidsmarkt. Door te zorgen voor scholing en werkervaringsplaatsen, nemen de capaciteiten en daarmee de kansen op werk toe. “Dit moet geïnstitutionaliseerd worden, als peiler van de moderne arbeidsmarkt. Doordat ze vaak lang afhankelijk zijn geweest van een uitkering, is er weinig beroep gedaan op deze mensen. Ze zijn zich gaan richten op hun kleine sociale omgeving en hebben een beperkt en kwalitatief minder sterk netwerk met betrekking tot de arbeidsmarkt. We zullen ze naar binnen moeten trekken door ze niet alleen met betaald werk aan de slag te laten gaan. Die stap is gewoon te groot.”