"Toegankelijkheid voor alles dat anders is, vind ik de grootste uitdaging"

Bert van Boggelen heeft zijn wortels in de vakbeweging CNV waar hij ruim tien jaar directeur was en in het dagelijks bestuur zat. Met een organisatie van 200 man heeft hij hier veel ervaring als werkgever opgedaan. Daarnaast is hij interim-voorzitter geweest van de SER en vanwege zijn netwerk en verbindende kwaliteiten werd hij drie jaar geleden gevraagd om kwartiermaker te worden van De Normaalste Zaak, het werkgeversnetwerk rondom het thema inclusie.

Gescheiden werelden

“Bij toegankelijkheid denk ik in eerste instantie aan het fysieke aspect. Vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten zijn we daar slecht in. Daar is het een basis, een heilige norm, een vanzelfsprekendheid. Geen lift en koffieapparaat zonder brailleknoppen, geen bijeenkomst zonder doventolk. Elk gebouw heeft faciliteiten voor rolstoelers. Hier is voor iedereen zijn eigen dorp, ergens in een bos, zodat de rest van de samenleving er niets mee hoeft te doen. De ontoegankelijkheid die we hier hebben is dan ook vaak mentaal, omdat we de wereld van mensen met beperkingen gescheiden hebben van de wereld van mensen zonder. De grootste oefening in bedrijven en onderwijs is dan ook hoe we omgaan met mensen die een beetje anders zijn dan het gemiddelde. Toegankelijkheid voor alles dat anders is, vind ik de grootste uitdaging.”

Bijzondere kwaliteiten

“We doen wel of we goede werkgevers zijn, maar hoe gaan we in dit land om met talent als dat verpakt is in een wat onalledaagse vorm? Als mens kom je voor een belangrijk deel tot je recht via (betaald) werk. Maar we hebben een verzorgingsstaat gemaakt waarin iedereen die het een beetje moeilijk had niet hoefde te werken. Het was een daad van barmhartigheid, maar tegenwoordig weten we dat dat geen oplossing is. Je doet er de mensen én de samenleving geen recht mee. We moeten in dit land uitgaan van de mogelijkheden van mensen, ze inzetten op die mogelijkheden en dan vallen de beperkingen voor een belangrijk deel weg. Sterker, vaak komen dan bijzondere kwaliteiten naar voren.”

Belonen werkt beter dan beboeten

Van Boggelen heeft niets met de afspraak in het sociaal akkoord dat het bedrijfsleven 125.000 banen moet creëren: “Ik geloof wel in een inclusieve arbeidsmarkt. Er komt een stroom op gang binnen bedrijven en de samenleving die mensen niet langer apart zet omdat ze een beperking hebben. Je ziet in het onderwijs hiertoe al allerlei pogingen. Op een kleuterschool hadden ze heel bewust alles bij elkaar gezet, maar de kinderen viel het verschil niet op. Ze gaan gewoon met elkaar om.” Het quotum werkt zolang het niet wordt ingevoerd, stelt Van Boggelen. Het helpt om het onderwerp op de agenda te zetten. “Maar als het wordt ingevoerd, tellen bedrijven hun knopen en betalen de boete omdat het duurder is om de organisatie aan te passen. Het is beter om bedrijven die een grote sociale prestatie leveren te belonen middels gunningscriteria, een aanmoedigingsprijs of een veer in hun kont. Of we die banen gaan halen, hangt af van de groei van de werkgelegenheid en de economie. En of we de lasten aan de onderkant zo drastisch durven te verlagen dat meer werkgelegenheid gaat ontstaan. We moeten het anders inrichten, het speelveld ver-groten en een level playing field maken, zodat iemand die het niet zelf kan verdienen toch concurrerend is. Dat zie ik ook als taak voor De Normaalste Zaak.”

Omringende obstakels

Een probleem is de toegankelijkheid van informatie. Het UWV heeft van 8.000 van de 240.000 Wajongeren in beeld wat ze willen en kunnen, terwijl de helft arbeidsvermogen heeft. Van Boggelen geeft nog een voorbeeld: “Het UWV heeft 100.000 Wajongeren aangeschreven om zich vrijwillig te tmelden om aan de slag te gaan. Maar de reactie hierop was kleiner dan 0,5%! Waarmee je bij een ander obstakel komt. Hun thuisfront, arbeidsdeskundigen of hulporganisaties als MEE zeggen dat ze beter niet kunnen reageren, omdat ze als het fout gaat misschien hun uitkering of pgb kwijtraken.” Vanuit die optiek levert werken alleen risico’s op, is het minder overzichtelijk. Van Boggelen ziet een uitkering niet als iets definitiefs, maar als brug tussen niet en wel werken. “Laten we gewoon beginnen in het speciaal onderwijs. Nu worden een half jaar voor het einde van het laatste jaar gezamenlijk de formulieren ingevuld om een Wajong-uitkering aan te vragen. Maar als je twee jaar in een uitkering zit, kost het veel meer moeite om terug op de arbeidsmarkt te komen. Die kraan moet dicht.”

Direct contact

Voor de mensen die al in deze situatie zitten moeten ook prikkels worden ingebouwd. Financieel, maar ook op het mentale vlak. “Er is sprake van aangeleerde hulpeloosheid. Werkzoekenden gaan zich gedragen zoals hun begeleider of arbeidsdeskundige vindt dat het moet. Dat is een eerste obstakel dat ze moeten overwinnen. Daarnaast staan tussen hen en het werk allerlei instanties die blokkades zijn in het zien en pakken van kansen. Met de beste bedoelingen worden ze gepamperd, maar dat haalt uiteindelijk alle motivatie weg.” Hij vindt het belangrijk dat werkgevers en werkzoekenden op een zo normaal mogelijke manier met elkaar in contact komen, zonder tussenkomst van instanties en hulpverleners. Zodat de werknemer de mogelijkheden kan zien die iemand heeft. “Maar als je lang niet hebt gewerkt, is het moeilijk om over je mogelijkheden en beperkingen te praten. Ook voor de werkgever is het ingewikkeld. Hoe ga je ermee om als iemand praat over zijn beperking? Daarom organiseren wij bijeenkomsten waar werkgevers zich openstellen en sollicitatiegesprekken voeren met  een grotere diversiteit, terwijl de werkzoekenden zich leren te presenteren, zonder dat een jobcoach het woord voert of drie hulpverleners bij de werkgever komen. De rol van intermediairs moet zo klein mogelijk gemaakt worden, zodat meer contact mogelijk is tussen werkzoekende en werkgevers.”