De Brabantse streeknetwerken zien voor zichzelf een sleutelrol weggelegd in de transitie naar een participerende samenleving, zo blijkt uit een gezamenlijk manifest. De provincie onderkent hun belang voor de vitalisering van het platteland en heeft met acht streeknetwerken een samenwerkingsovereenkomst gesloten, die loopt tot 1 juli 2016. Tijd om de balans op te maken met de voorzitters van twee actieve streeknetwerken: drs. Yvo Kortmann van Het Groene Woud (foto, links) en Roeland van Hooff van de Brabantse Kempen. Natuurlijk blikken we ook vooruit.

Brabantse streeknetwerken

Brabantse streeknetwerken

De eerste Brabantse streeknetwerken zijn ontstaan vanuit de reconstructie van het platteland, na de varkenspest van 1996. Inmiddels kent Brabant tien van dergelijke regionale allianties. Zet vertegenwoordigt het sociale domein in het algemeen en dagelijks bestuur van Het Groene Woud, heeft zitting in Streekplatform de Brabantse Kempen en ondersteunt diverse andere streeknetwerken bij hun ontwikkeling en het realiseren van projecten.

Allemaal wennen aan streeknetwerken

De ervaringen van de eerste jaren stemmen positief. Ze merken dat de burger veel mondiger wordt, meer zelf wil doen en dat op een aantal vlakken ook heel makkelijk kan. “Er zit zó gigantisch veel kracht in de samenleving”, stelt Van Hooff. “Er zijn genoeg mensen die iets willen doen. Als streeknetwerken willen we die kracht optimaal benutten voor ons gebied. Economisch, maar ook in termen van ecologie en leefbaarheid.” Daarom is het zo belangrijk dat naast gemeenten, waterschappen en natuurorganisaties inmiddels ook andere maatschappelijke organisaties, onderwijs en bedrijven deelnemen aan regionale allianties. Zowel Het Groene Woud als de Brabantse Kempen merken wel dat alle partijen nog wat moeten wennen aan de netwerk-samenleving en hun rol daarin.

Groeiend besef

Van Hooff: “Aan de ene kant moeten we overheidsorganisaties leren luisteren en faciliteren. Niet altijd de dienst willen uitmaken, maar die kracht van onderop benutten.

Geef die burger vertrouwen.

Dat besef begint gelukkig te leven. Misschien ook wel geholpen door de noodzaak, als we eerlijk zijn.”

Het geeft volgens hem ook energie:

“Als het lukt om meer aan de burger over te laten, wordt het besturen ook makkelijker. Want als het van onderaf komt, wordt het al gedragen. Dan hoef je het niet meer te verkopen.” Aan de andere kant van het spectrum hebben burgers en bedrijven vaak nog moeite de nieuwe ruimte te benutten en hun verantwoordelijkheid te nemen.

Heel verklaarbaar, vindt Kortmann: “De laatste decennia hebben we alles voor iedereen geregeld, van geboorte tot graf. Daarmee hebben we een stuk initiatief en zelfredzaamheid weggenomen. Je merkt dat de burger het aan het oppakken is, maar het werkt nog niet zoals we zouden willen. Ook bedrijven zeggen vaak wel dat ze mee willen doen, maar gaan vervolgens naar de overheid zitten kijken. Terwijl ik denk: als je wilt oogsten zul je ook moeten zaaien en onderhoud plegen. Dan moet je ook mee investeren.”

Zelf initiatief nemen

Van Hooff herkent het beeld: “Bij ons zitten de vier O’s ook aan tafel (overheid, onderwijs, ondernemers en omgeving, red.), maar je ziet dat andere partijen dan de overheid moeten wennen aan het idee dat ze nu zelf aan de lat staan. Dat juist zíj moeten aangeven waar ze problemen, kansen en uitdagingen zien. Dat begint langzaam los te komen, overigens mede dankzij Zet. In ons platform vertegenwoordigd door André Megens, iemand met een helikopterview. Die volgt zo’n discussie en attendeert ons meteen op andere mogelijkheden en verbindingen.” Even waardevol vindt Van Hooff de ontwikkeling dat ook het Kempisch Ondernemers Platform en de HAS nu in het dagelijks bestuur zitten.

Van energie naar slagkracht

Ook Kortmann ziet Zet als schakel tussen de bedrijven en het maatschappelijk netwerk:

“Een belangrijke scharnierfunctie om meer bedrijvigheid in de uitvoering te krijgen en al die energie in ons netwerk in slagkracht te vertalen. Daarom ben ik zo blij dat Zet is toegetreden tot het algemeen en dagelijks bestuur van ons streekhuis.”

Van Hooff proeft dezelfde noodzaak, om van de streeknetwerken een duurzaam succes te maken: “Ook wij zijn puur als netwerk ontstaan, vanuit de reconstructiecommissie, maar je merkt dat alle partijen toch op zoek zijn naar resultaten.

Ze willen echt die projecten zien. Wij willen ons na 2016 dan ook veel meer focussen op uitvoering. Dat vragen de platformleden ook. Met name bedrijven die meedoen, willen gewoon resultaten zien. En gelijk hebben ze. Daar voel ik me goed bij.

“BESTE OVERHEID, HEB VERTROUWEN IN DIE BURGER.”

Yvo Kortmann en Roeland van Hooff

Positieve signalen

Gelukkig zijn die resultaten er ook. Van Hooff verwijst naar een minisymposium op het Kempisch
bedrijvenpark, met sprekers als Wim van der Leegte en Erik van Loon. “Dat we zoiets organiseren spreekt ondernemers aan. Zo hopen we dat die basis breder wordt, dat meer bedrijven
aanhaken. We zijn nog te afhankelijk van een paar kar-trekkers.”

Hij wil ook jongeren betrekken bij de nieuwe agenda en vindt het binnen die context heel hoopgevend dat de Kempen Trofee onlangs werd gewonnen door piepjonge en betrokken Kempische ondernemers, die met hun uitzendbureau willen voorkomen dat leeftijdsgenoten wegtrekken uit de streek. Kortmann stelt de daadkracht van een recreatiebedrijf in Oisterwijk tot voorbeeld.

Een ondernemer die samen met een zadenleverancier door heel Het Groene Woud zonnebloemen gaat planten in het kader van het Van Goghjaar. “Dát trekt kijkers en die leggen aan voor een Leffe.” Veel bondiger kun je het belang van toerisme en recreatie niet samenvatten.

Nieuwe focus streeknetwerken

De streeknetwerken doen meer dan hun regio op de kaart zetten. Zo is voor nationaal park Het Groene Woud erfgoed een belangrijk thema en heeft de Brabantse Kempen vanaf het begin gekozen voor een brede agenda, die ook raakt aan zaken als leefbaarheid, bereikbaarheid en zorg. “Wij merken nu dat we juist meer moeten gaan focussen”, zegt Van Hooff.

“Voor de periode na 2016 willen verschillende partijen de aandacht verleggen naar economie en bijvoorbeeld de verbinding met Brainport. Dat kan ook zorgeconomie zijn, want met vergrijzing brengt ons ook uitdagingen rond langer thuis blijven wonen en omgaan met dementie.”

Voor Kortmann staat de primaire focus buiten kijf:

“Wij zijn een uitvoerende organisatie. We worden steeds vaker gevraagd een standpunt in te nemen over zaken als schaliegas en windmolens. Daar moeten we ons niet toe laten verleiden. Wij maken geen beleid en moeten geen politieke organisatie willen zijn. Wel kunnen we als uitvoeringsorganisatie voor een deel de positie van de gemeenten overnemen. Die hebben een veel te groot takenpakket, dat ze bij lange na niet aankunnen. Als het bijvoorbeeld gaat om toerisme en recreatie kun je beter één merk in de markt zetten, dan al die dorpen apart.”

Aantrekkingskracht

Volgens Van Hooff zijn er wel meer onderwerpen waarop je de koppen beter bij elkaar kunt steken. Grote uitdaging is volgens hem dan ook: verder uitbreiden van de netwerken.

“En dat de bestaande partners niet afhaken”, waarschuwt Kortmann.

“Het is belangrijk dat alle partijen de meerwaarde blijven zien én hun verantwoordelijkheid blijven nemen.” Kansen ziet hij vooral in het intensiveren van de verbinding met de steden, die zich steeds meer realiseren dat de kwaliteit van hun achterland sterk bepalend is voor hun uitstraling en aantrekkingskracht.

Een visie die onlangs onderstreept werd tijdens de slotconferentie van het Europees project Rural Alliances, in Wales (zie pag. 70).

“Als het er bijvoorbeeld om gaat hoogwaardig personeel aan te trekken en hier te houden, zal je iets te bieden moeten hebben. Dan moeten stad en regio elkaar aanvullen.” Daar is nog veel te winnen, vindt ook Van Hooff. Een kwestie van zelfbewustzijn en gepaste trots uitstralen: “Ik ben er heilig van overtuigd dat we op goud zitten. Dan heb ik het niet alleen over die prachtige natuur, maar ook over de ligging ten opzichte van de steden en over de arbeidsmentaliteit in deze regio. De kunst is daar meer rendement, meer economie uit te halen.”

Cruciale steun van Provincie

Dat kunnen ze niet zonder steun van de provincie, is de crux van hun slotpleidooi.

Van Hooff is dan ook blij dat de provincie inmiddels de waarde van de streeknetwerken onderschrijft: “De gedeputeerde heeft aangegeven met ons verder te willen en die intentie mee te nemen in zijn overdrachtsdossier. Onze samenwerking geeft de provincie de mogelijkheid om met de poten in de klei te staan. Doordat provinciale medewerkers hier regelmatig in huis zitten, weten ze beter wat er speelt. Het brengt ze dichter bij de burger.”

Kortmann heeft eveneens goede hoop dat het nieuwe college van GS het manifest van de streeknetwerken zal overnemen. “We kunnen elkaar heel goed gebruiken bij het realiseren van onze gedeelde ambitie: een vitaal Brabant waar het goed wonen, werken, leren en vertoeven is. Daar past ook het faciliteren bij van de provinciale taken die wij uitvoeren. En wij moeten energie en middelen uit de streek inbrengen. We zullen het samen moeten doen.”

”WIJ ZIJN EEN UITVOERENDE ORGANISATIE. PUNT.”
Yvo Kortmann

Dit is een artikel uit het Zet jaarmagazine 2015

Lees Zet jaarmagazine 2015