Sinds de participatiesamenleving per koninklijk decreet is afgekondigd, leunen we meer dan ooit op de zelfredzaamheid van mensen en de bereidheid om anderen te helpen. Voor een deel is dat reëel. Er leeft een breed gedeeld besef, dat we als burgers te gemakzuchtig waren geworden. Dat we best wat meer zelf kunnen doen. Ook voor elkaar. Maar waar liggen de grenzen van die burgerkracht? Kan iedereen die nieuwe samenleving wel aan? Waar moet je als overheid zelf de verantwoordelijkheid blijven nemen? Wat mag je wel en juist niet van vrijwilligers en mantelzorgers verwachten? En wat gebeurt er als we tevéél op hen gaan leunen...?

Op zoek naar een nieuwe balans tussen verzorgingsstaat en participatiesamenleving, met prof. dr. Gerty Lensvelt-Mulders (foto, links), rector en hoogleraar Wetenschapstheorie, Methodologie en Onderzoeksleer en prof. dr. Evelien Tonkens, hoogleraar Burgerschap en Humanisering van de Publieke Sector. Beiden werken aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, die zich onder andere richt op eigentijdse vragen rond de inrichting van een menswaardige samenleving.

Meer logische verbindingen

Tonkens opent met het goede nieuws over de transities in het sociale domein: “Er gebeurt heel veel. Gemeentes zijn erg actief en ambtenaren vaak enthousiaster dan wij als onderzoekers kunnen begrijpen. Dat is grosso modo positief. De decentralisatie biedt natuurlijk ook de mogelijkheid om een aantal zaken beter te regelen.” Ze verwijst onder andere naar een aantal historisch gegroeide, niet zo logische scheidslijnen. Bijvoorbeeld tussen dagbesteding en beschermde werkplekken, zaken die oorspronkelijk in de AWBZ of in de Zorgverzekeringswet zaten of juist onder sociale werkvoorziening vielen. En welzijnsinstellingen die zich lang niet met zorg hebben bezig gehouden, wat eigenlijk ook niet zo logisch was. “Kortom”, concludeert Lensvelt, “men ziet kans om logischere verbindingen te maken. Het feit dat gemeenten dit zien zitten, betekent dat er op een belangrijk niveau energie en elan is. Wel zullen we daar wat tijd voor moeten uittrekken.”

Burgerinitiatieven zijn niet gratis

“Op zich hoopgevend dat er nu ook meer ruimte en aandacht is voor burgerinitiatieven”, vindt Tonkens. “Dat is weleens anders geweest. Het geeft een heel andere dynamiek. Zeker in dorpen wordt het makkelijker om vrijwilligers aan initiatieven te koppelen, omdat die zich meer bij hun omgeving betrokken voelen. In de stad is dat vaak wat ingewikkelder, tenzij je het dicht in de buurt houdt en ook daar weer een soort dorp van maakt.” Let wel, zegt ze: ook dit kost geld. We moeten vooral niet denken dat die burgerinitiatieven allemaal gratis zijn. Een tweede belangrijke kanttekening: het zijn zelden puur burgerinitiatieven. Sterker nog, meent Tonkens: “Als dergelijke initiatieven er niet in slagen om ondernemers en overheid mee te krijgen, dan houden ze geen stand en vergaan ze gewoon weer.” Zelf spreekt ze dan ook liever over maatschappelijke initiatieven op het kruispunt van burger, overheid en markt.

Kwetsbare basis

De duurzaamheid van oplossingen is sowieso een punt van aandacht. Veel initiatieven hangen aan een of twee mensen. Meestal charismatisch en inspirerend, maar na verloop van tijd soms bron van conflicten, als anderen ook ideeën krijgen over de te volgen koers. Dat breekt na verloop van tijd nogal eens op. Als die drijvende krachten stoppen of als het initiatief klapt gaan alle energie en het geld dat daar in is gestoken in rook op. Om dat te voorkomen ziet Tonkens een belangrijke rol voor organisaties zoals Zet. “Als ondersteunende organisatie moet je de gevaren van dit model vanaf het begin aan de orde stellen en duidelijke voorwaarden stellen. Die ondersteuning wordt uit publieke middelen betaald, dus het is helemaal niet raar om te zeggen: als wij hier tijd en geld in gaan steken, willen we ook meedenken over het borgen van continuïteit. Iedereen die even nadenkt, begrijpt dat zo’n kwetsbare basis niet gezond is.”

Participatie: Noodzaak of nieuwe romantiek?

Het brede appèl tot participeren sluit volgens Lensvelt aan bij de tijdgeest. “Er zijn voldoende mensen die zich willen inzetten voor anderen. Na een tijd van neoliberalisme, het toppunt van individualiteit, krijgen we weer meer de behoefte om ergens bij te horen. Neem de initiatieven van mensen die bij elkaar gaan wonen om de zorg te delen en samen oud te worden.” Als ander voorbeeld noemt ze de broodfondsen: ondernemers die samen inleggen om risico’s te delen. “Dergelijke groepen moeten klein genoeg zijn om elkaar te kennen, zodat je weet voor wie je iets doet. Dat is ook de crux bij buurtzorg en andere vormen van zorg voor de ander. Het begint met kennen en door elkaar te kennen ontstaat ook meer bereidheid iets voor elkaar te willen betekenen.” We concluderen dat die groeiende gemeenschapszin goed van pas komt in de participatiemaatschappij. Het is een beetje de vraag wat er eerst was... Heeft de regering de tijdgeest gewoon heel goed aangevoeld of worden we uit noodzaak een bepaalde richting op gedwongen van wat we de nieuwe romantiek noemen? Lensvelt houdt het er op dat de huidige omstandigheden het meehelpen op zijn minst erg stimuleren.

Grenzen aan de burgerkracht

Maar hoe zwaar kunnen we als samenleving op de burger leunen? “Vrijwilligers die via een organisatie werken, kun je nog wel beschermen tegen overbelasting en -bevraging”, zegt Tonkens. “Maar hoe regel je dat voor mantelzorgers? Zeker als je ziet dat we juist veel vragen van degenen die al veel doen.” Vooral vrouwen raken daardoor regelmatig in een enorme spagaat. Er wordt steeds vaker een beroep op hen gedaan om voor hun kinderen, kleinkinderen én ouders te zorgen. “Als je dat als zingevend ervaart, hou je het langer vol, daar hebben we onderzoek naar gedaan”, meldt Lensvelt. “Vaak echter gaat mantelzorg gepaard met veel schuldgevoel, want wat je ook doet, het is nooit genoeg. Het blijkt heel moeilijk om daar grenzen in te stellen. Dat kan je echt volledig opvreten.” Tonkens wijst op een belangrijke indicator in dit verband, de toenemende oudermishandeling: “Nog voordat de transities zijn ingezet, hadden we in Nederland al 200.000 gevallen per jaar. Van ouderenmishandeling weten we dat het meestal echt onbedoeld is en gepleegd wordt door mensen die het allemaal teveel wordt. In andere landen is daar veel meer aandacht en beleid voor.” Lensvelt: “Mensen hebben gewoon ondersteuning nodig om de mantelzorg goed te doen en vol te houden.”

Maatschappelijke discussie rond mantelzorg

Daarmee raken we aan de vraag wat we eigenlijk wel en niet van mantelzorgers mogen verwachten? Tijd voor een maatschappelijke discussie. Hoeveel moet je doen? Mag je nog een eigen leven overhouden? Welke voorzieningen willen we als samenleving overeind houden? Tonkens ziet er momenteel niet echt de politieke steun voor, maar vindt dat we een aantal basisvoorzieningen in stand moeten houden.

“WAAR HEBBEN MENSEN RECHT OP IN EEN BESCHAAFDE SAMENLEVING?”

“We hebben het er steeds over dat de kosten voor de zorg zo uit de hand zijn gelopen, maar die zitten écht niet in de thuiszorg. En dan gaan we juist bezuinigen op die laagstbetaalde functies, met als enige gevolg dat die mensen dat werk onbetaald moeten gaan doen. Ik denk eerlijk gezegd dat dat niet zo’n heel verstandige bezuiniging is.”

Dat mag een understatement heten.

Ook Lensvelt vindt dat je bepaalde dingen gewoon niet mag overlaten aan vrijwilligers: “Neem de wijkzorg, die behoorlijk is uitgekleed, maar waar we niet zonder kunnen. Ook aan het bed en in de thuiszorg heb je professionals nodig. Dit gaat over waar mensen recht op hebben in een beschaafde samenleving. Pas als we daar samen uit komen, kunnen we een vuist maken.”

Burgerschap als ideaal

Lensvelt: “In het westen hebben we een moraal van zorg en rechtvaardigheid. Daarmee kom je er niet. Je hebt ook nodig wat de Engelsen ‘belonging’ noemen. Het gevoel van ergens bij horen, loyaliteit, zorg hebben voor elkaar.” Tonkens pleit ervoor dat we solidariteit weer als waarde durven benoemen en gaan nadenken hoe we dat willen invullen: “Het beleid kent alleen maar woorden als zelfredzaamheid, eigen regie, eigen kracht. Dat duidt op weinig collectieve idealen. En waar die er onder liggen, blijven ze heel impliciet. Want eigen kracht betekent ook dat je verondersteld wordt voor een ander te zorgen. We moeten niet alleen op individueel niveau met elkaar solidair zijn, maar als samenleving ook solidaire systemen maken en instandhouden.”

“WE MOETEN SOLIDARITEIT WEER ALS WAARDE DURVEN BENOEMEN”

Ze vindt burgerschap daarvoor een heel zinvol ideaal, omdat het gaat over rechten, plichten en gemeenschap: “In deze context een waardevol concept, omdat het al die verschillende aspecten oproept en ook altijd de vraag stelt welke gemeenschap je dan deelt. Welke voorzieningen willen we nu echt overeind houden? Waar zijn we nu echt trots op, wat vinden we verbeterbaar, maar willen we wel houden?”

Het gevaar van de aanbestedingsgolf

Terug naar de praktijk van alledag. Daar ziet Tonkens een aantal problemen die allereerst te maken hebben met het feit dat de hele transformatie in het sociale domein gepaard gaat met een forse bezuiniging. “Dat is natuurlijk geen nieuws, maar het blijft een onbegrijpelijke, desastreuze combinatie. Iedereen weet dat een reorganisatie eerst geld kost voordat deze wat kan opleveren. Er is geen enkel weldenkend bedrijf dat zegt: we halen eerst een kwart van het budget af en dan gaan we alles anders inrichten.”

Eén van de op zich begrijpelijke consequenties is volgens Tonkens de golf van aanbestedingen die door het land waart.

Ze vindt het een prima middel als je als opdrachtgever niet tevreden bent of als het niet botert tussen partijen, maar niet als puur bezuinigingsinstrument. “Dat kan tot enorme breuken leiden met wat er is opgebouwd. Dan komt er weer een totaal nieuwe welzijnsorganisatie, die niemand in de regio kent. Ook zie je onmogelijke oplossingen, van wethouders die niet willen kiezen en een taak uitbesteden aan vier organisaties. Die mogen dan allemaal een stukje doen, moeten tegelijk concurreren en samenwerken met elkaar. Waar het allemaal voor bedoeld was, dat het minder verknipt is, dat werk je dan zelf weer in de hand.”